Een door het huwelijk ontstane vaderschap kan, als de echtgenoot niet de biologische vader van het kind is, worden ontkend door de moeder. Wel dient dit verzoek binnen een jaar na de geboorte van het kind te worden ingediend bij de rechtbank. Als dit verzoek later wordt ingediend, kan dan de rechter hierop nog een beslissing nemen, of is het verzoek dan niet-ontvankelijk? Recentelijk moest de rechtbank Noord-Holland daarover een oordeel geven. Het volgende was het geval.

Een kind dat staande het huwelijk wordt geboren

Partijen zijn na te zijn gehuwd, in 2014 van elkaar gescheiden. Hoewel uit dit huwelijk een kind is geboren, heeft de moeder niettemin een verzoek ingediend om het door huwelijk ontstane vaderschap van de minderjarige te laten doen ontkennen door de rechtbank. Gelet op dit verzoek heeft de rechtbank een bijzonder curator benoemd die moet waken over de belangen van het kind. De moeder stelt namelijk dat haar echtgenoot niet de biologische vader van haar kind is. In 2007 is zij vanuit Somalië naar Nederland is gevlucht. Haar echtgenoot is daar achtergebleven. Sindsdien heeft zij hem niet meer gezien, en heeft zij haar kind verwekt bij een andere man.

Bevoegdheid rechtbank en toepassing Nederlands recht

De rechtbank beoordeelde dit verzoek als volgt. Omdat de juridisch vader een onbekende nationaliteit bezit, in tegenstelling tot de moeder die Nederlandse is, zag de rechtbank zich geconfronteerd met de vraag of de Nederlandse rechter over deze zaak mag oordelen. Omdat de moeder en haar kind hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, stelde de rechter kort gezegd dat dit mag. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is, bepaalde de rechter voorts dat het verzoek van de moeder beoordeeld dient te worden naar Nederlands recht.

Het verzoekschrift en artikel 1:200 BW

Dan wat betreft het verzoek van de moeder. Ingevolge artikel 1:200 BW kan een door het huwelijk ontstane vaderschap, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, worden ontkend door de moeder. Wel dient dit verzoek binnen een jaar na de geboorte van het kind te worden ingediend. Onbetwist is dat dit niet het geval is.

De moeder heeft daarover verklaard dat de geboorteakte van haar kind in 2015 ambtshalve is verbeterd, en haar echtgenoot als vader vermeld. Pas vanaf dat moment wist zij dat de man als juridisch vader werd aangemerkt. Vandaar dat zij pas daarna het verzoek kon indienen. Daarnaast heeft zij gesteld dat het handhaven van een termijn van een jaar in strijd is met het recht op family life zoals dat volgt uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Het oordeel van de curator

De bijzondere curator was van mening dat er sprake is van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding, nu de vrouw haar verzoek niet binnen de termijn van een jaar na de geboorte van haar kind heeft ingediend. Omdat de curator het toch van belang oordeelde dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke werkelijkheid, diende de curator een zelfstandig verzoek in namens het kind inhoudende de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank was van mening dat geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de moeder erkent dat het kind geboren was ten tijde van het huwelijk. Vervolgens beoordeelde de rechtbank de vraag of artikel 8 EVRM aan het tegenwerpen van een termijn van een jaar in de weg staat.

Hoewel de rechtbank het handhaven van een termijn geen ongerechtvaardigde inmenging vond in het familie- en gezinsleven van de moeder, vond zij niettemin dat in deze zaak in redelijkheid niet kon worden vastgehouden aan deze termijn, gelet op artikel 8 EVRM. Het respect voor het familie- en gezinsleven eist in deze zaak dat het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid prevaleert boven het belang van de strikte hantering van de in artikel 1:200 BW gestelde termijn en de daarmee samenhangenderechtszekerheid. Daarom was de moeder ontvankelijk in haar verzoek.

Conclusie: artikel 1:200 BW kan strijdig zijn met artikel 8 EVRM

Nu tussen de vrouw en haar echtgenoot geen enkel contact meer is geweest sinds haar komst naar Nederland, haar huwelijk op traditionele wijze en naar Somalisch recht is beëindigd, de man geen weet heeft van het kind en de biologische vader een affectieve band heeft met het kind, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. Op het zelfstandig verzoek van de curator hoeft dan ook niet te worden beslist.